Meisjes, jongens en W&T

1-10-2015

Jongens en meisjes zijn verschillend. Meisjes en jongens uit de bovenbouw basisonderwijs vinden zichzelf vooral zelfstandig. Een kwart van de leraren vertoont de neiging om meisjes pienterder, oplettender, rustiger, flexibeler, verzorgender, hulpvaardiger en aandachtiger te vinden dan jongens.

Meisjes staan vaak aarzelend tegenover techniek. De capaciteiten van meisjes en jongens voor techniek zijn gelijk, maar door verschillen in socialisatie hebben ze een andere houding ten aanzien van techniek dan jongens. Naarmate meisjes ouder worden, neemt hun zelfvertrouwen af, terwijl dat van jongens toeneemt. Leraren geven (vaak onbewust)  naar verhouding minder beurten aan meisjes, wat niet bijdraagt aan het verbeteren van het zelfvertrouwen van meisjes. Ook nemen jongens meer dan meisjes uit eigen beweging deel aan onderwijsleergesprekken.

In gemengde groepen gaan jongens overheersen. Meisjes blijken het moeilijk te vinden om hun ideeën naar voren te brengen tijdens W&T-activiteiten. Jongens zijn daarin assertiever. Meisjes verliezen soms het onderzoeksdoel uit het oog. Ze hebben meer aandacht voor decoratie en geven sociaal wenselijke antwoorden. Het werken met meetinstrumenten en gereedschappen gaat jongens ook makkelijker af dan meisjes.

Meisjes blijken ook andere voorkeuren te hebben voor onderwerpen uit wetenschap en techniek. Ze zijn meer geïnteresseerd in onderwerpen die relevant zijn voor henzelf of voor de wereld, zoals onderwerpen uit de medische wereld (voortplanting, gezondheid), voeding of het huishouden. De betrokkenheid van meisjes voor W&T neemt toe als ze worden uitgedaagd om een oplossing te vinden voor 'echte', context-gebonden probleem.

Meisjes meer betrekken bij W&T-onderwijs vraagt om bewustwording van leraren van de houding van meisjes voor W&T en voor hun inhoudelijke interesse, die verschilt van jongens. Ook het eigen gedrag van leraren om meer aandacht te geven aan meisjes zijn belangrijke aandachtspunten voor (aspirant-)leraren.

Hieronder volgen tips om het zelfvertrouwen van meisjes voor (wetenschap) en techniek (technologie) te verbeteren.

  • Geef meisjes inspraak in de onderwerpen.
  • Zorg voor een context gebonden 'echt' probleem waar meisjes een oplossing voor kunnen bedenken.
  • Geef meisjes vaker een beurt, geef ze tijd om na te denken over een antwoord, om zelf een antwoord te vinden en een tweede kans na een fout antwoord.
  • Stimuleer bij meisjes het vertrouwen in hun kunnen.
  • Maak in het begin aparte groepjes jongens en meisjes.
  • Kies in het begin eenvoudige opdrachten die tot resultaat leiden waar meisjes voldoening uithalen. Maak de opdrachten vervolgens moeilijker. Daarmee toon je als leraar vertrouwen in de capaciteit van de leerlingen en neemt hun zelfvertrouwen toe.
  • Geef duidelijke instructie. Terwijl jongens 'gewoon' beginnen, oriënteren meisjes zich vaak beter op wat de opdracht precies inhoudt. Geef hen daarvoor de ruimte en stel ze als voorbeeld voor jongens.

 

Bronnen

Bentley, D., & Watts, M. (1994). Primary science and technology. Practical alternatives. Buckingham/Philadelphia: Open University press. P. 136-145.

Bouwmeester, T., Doornekamp, G., & Kleingeld, R. (2006). Maken en onderzoeken. Groningen/Houten: Wolters Noordhoff.  Par. 12.3.

Dolle-Willemsen, T. E. (1997). Gezien onderscheid naar sekse in het basisonderwijs. Interactie als invalshoek. Proefschrift. Tilburg: Tilburg University . P. 155-164.

Keulen, H., & Walma van der Molen, J. (Red.). (2009). Onderzoek naar wetenschap en techniek in het Nederlands basisonderwijs. Den Haag: Platform Bèta  techniek. . 21-23.

Qualter, A. (1996). Differentiated Primary Science. Buckingham/Philadelphia: Open University press. P. 84-88.

Wel, J. van der, & Otterloo, S. van. (2013). Resultaten vierde attitudemeting Schooljaar 2010-2011. Amsterdam: Regioplan.