Gesloten en open opdrachten

1-10-2015

Van leraargestuurd naar leerlinggestuurd; van gesloten naar open

Het is bekend dat de motivatie van kinderen om te leren groter wordt als bij het bepalen van de leerinhoud vragen van leerlingen centraal staan, of dat het aanbod verwondering en nieuwsgierigheid oproepen. Ze nemen dan actiever deel aan het verloop van het leerproces. In de dagelijkse praktijk van het basisonderwijs is het echter meestal de leraar die vanuit de methode bepaalt waarover de les gaat en hoe de les verloopt.

Het is wenselijk dat studenten competenties ontwikkelen die hen in staat stellen op een zodanige manier les te geven dat er enerzijds wordt aangesloten bij de behoeften, vragen en mogelijkheden van leerlingen, maar anderzijds dat er relevante inhouden en werkwijzen worden aangereikt. Daarom is bij de centrale opbouw van de schema’s gekozen voor een opbouw van leraargestuurd onderwijs in onderwijstype 1 naar leerlinggestuurd onderwijs in onderwijstype 4. In onderwijstype 1 bepaalt de leraar de inhoud en de werkwijze van de les. In onderwijstype 4 is er ten opzichte van onderwijstype 1 veel inbreng van leerlingen op de inhoud van en de werkwijze tijdens de les. Ze worden hiertoe uitgenodigd door de leraar. De leraar is dan meer procesbegeleider, maar bewaakt wel de inhoud van de lessen. Onderwijstype 2 en 3 kunnen worden opgevat als geleidelijke overgangen van onderwijstype 1 naar 4.

Naar meer zelfstandigheid

De opbouw van leraargestuurd naar leerlinggestuurd vraagt een toenemende zelfstandigheid en verantwoordelijkheid van leerlingen. Daarin verschillen ze behoorlijk. Waar het ene kind ruimte en vrijheid nodig heeft om goed te presteren, heeft het andere kind juist structuur, overzicht en leiding nodig. Maar ook hierin kunnen kinderen zich ontwikkelen. Dat betekent dat samenhangend met de opbouw naar meer sturing voor de kinderen er ook een opbouw is in ontwikkeling van het kind. Deze opbouw is vaak, maar lang niet altijd, gerelateerd aan leeftijd. De leraar moet zich dan ook bewust zijn van blijvende verschillen tussen kinderen en welke aanpak bij welke kinderen past en welke niet en daar haar begeleiding op afstemmen.

De vier onderwijstypen komen niet overeen met leerjaren op de basisschool. Welk onderwijstype wanneer wordt toegepast hangt af van diverse factoren en randvoorwaarden. Denk aan de mate waarin kinderen gewend zijn zelfstandig te werken, het doel van de les, de beschikbare tijd, hulpmiddelen en materialen.

Ook zijn de vier onderwijstypen niet gekoppeld aan de opleidingsjaren van de pabostudent. Afhankelijk van de capaciteit van de individuele student kan onderwijstype 3 al in het eerste studiejaar worden uitgevoerd tijdens de stage, terwijl andere studenten daar pas in het laatste jaar van hun studie aan toe zijn.

 

Bronnen

Berg, G. van den. (Red.). (2009). Handboek vakdidactiek aardrijkskunde. Amsterdam: Landelijk Expertisecentrum Mens- en Maatschappijvakken. Par. 10.3; 10.4. 

Peters, A. & Westerveen, F. (2010). Geowijzer. Kennisbasis inhoud en didactiek. Groningen/Houten: Noordhoff Uitgevers bv. Par. 16.2; 16.4.

Schilperoord, A., Jansen, P., & Graft, M. van. (2006). Natuur en techniek op de Pabo: Didactiekontwikkeling in fasen. Enschede: SLO. Par 3.1, 3.2.